Kenmerken

Kenmerken van de egel

De rug en flanken van de egel zijn bedekt met stekels, maar over het aantal is discussie. Ca.  6000-8000. Deze bruine stekels met witte puntjes zijn 15 tot 25 mm lang en 1 tot 2 mm breed. Ze zijn hol en bestaan uit verscheidene lagen keratine. 

Hij wisselt zijn stekels zelden en onregelmatig; gemiddeld gaan stekels zo’n 18 maanden mee, drie keer zo lang als een gemiddelde haar.

Hij heeft een gedrongen lichaam, een spitse kop en een kleine staart, die hij verborgen houdt tussen de stekels. De kop begint breed, maar loopt spits toe naar de donkere snuit. Aan het uiteinde van de snuit bevinden zich tien paar neusharen. De oren zijn klein en nauwelijks zichtbaar. De ogen zijn klein en zwart en staan zijwaarts in het gezicht.

Alhoewel bij het lopen de buik zich dicht bij de grond bevindt, zijn de poten vrij lang, ongeveer tien centimeter van de heup naar de tenen. Tijdens het lopen houdt het dier ze zeer gebogen. Aan iedere poot bevinden zich vijf tenen, die alle voorzien zijn van een klauw.

De vachtkleur varieert van geel- en grijsbruin tot donkerbruin.

Om zich te kunnen oprollen, heeft een egel een aangepast spierstelsel. Over vrijwel zijn hele lichaam loopt een staart-rugspier, die wordt samengetrokken.

Een egelvrouwtje heeft vijf paar tepels.

Een gezonde, volgroeide egel weegt tussen de 800 en 1200 gram, is 20 tot 30 cm lang en heeft een staartje van 2 tot 3,5 cm.
Er is geen verschil in grootte tussen een mannetje en vrouwtje.


Een egel kan uitstekend ruiken. In gezonde toestand heeft hij een hele natte neus.

Als een egel een interessant nieuw luchtje vindt, bijvoorbeeld munt of lavendel, gaat hij er op kauwen. Daarna spuugt de egel het speeksel met het luchtje op zijn rug, terwijl hij zich in de vreemdste bochten wringt.